Ongeval in sportschool: wie is aansprakelijk?

2014-08-25


1.           “Werkgeversaansprakelijkheid of eigen verantwoordelijkheid?”

Olympic Gym exploiteert een sportschool. X (verder “de stagiair’) loopt in het kader van zijn opleiding tot sport–  en bewegingsbegeleider stage in deze sportschool. In het kader van deze stage hebben Olympic Gym en de stagiair een schriftelijke praktijkovereenkomst gesloten, die duurde van 31 augustus 2009 tot en met 31 juli 2010. Op 30 oktober 2009 raakt de stagiair betrokken bij een ongeluk wanneer hij een cliënt van de sportschool begeleidt van de sauna naar de doucheruimte. Deze cliënt had als gevolg van een hersenaandoening een afwijkende motoriek waardoor hij slecht ter been was en ondersteuning behoefde.

De cliënt van de sportschool komt bij dit ongeval bovenop de stagiair terecht, die daarbij zijn knie breekt. De stagiair stapt vervolgens naar de kantonrechter voor schadevergoeding.

2.           Vordering Stagiair

Bij de kantonrechter heeft de stagiair gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat Olympic Gym als werkgever aansprakelijk is voor de schade die hij als gevolg van het ongeval heeft geleden en dat Olympic Gym wordt veroordeeld tot betaling van die schade.

Hiertoe heeft de stagiair een drietal gronden aangevoerd:

I)          Art. 7:658 lid 2 jo. lid 4 BW
             De stagiair stelt dat hij door het ongeval schade heeft geleden in de uitoefening                                van zijn werkzaamheden voor Olympic Gym;
II)         Art. 6:170 BW
             Daarnaast stelt de stagiair dat Olympic Gym aansprakelijk is voor de fout van haar                            ondergeschikte (de sportinstructeur die de stagiair de opdracht gaf om                                              de cliënt te begeleiden) terwijl deze wist dat daar specialistische begeleiding voor nodig                  was, welke vaardigheden de stagiair op dat moment nog niet bezat;
III)       Art. 7:611 BW
             Tenslotte heeft stagiair gesteld dat Olympic Gym heeft nagelaten zich te gedragen als een              goed werkgeefster, nu er bijvoorbeeld geen verzekering is afgesloten die de schade van                  de stagiair had kunnen voorkomen of beperken.

3.            Verweer Olympic Gym

Olympic Gym voert als verweer onder meer dat I) de stagiair op de bewuste ochtend niet als stagiair aan het werk was, II) dat van een opdracht vanuit de sportschool geen sprake was en dat de stagiair de cliënt dus uit eigen beweging heeft begeleid en III) dat er geen sprake was van een uit artikel 7:611 BW voortvloeiende verzekeringsplicht.

4.           Oordeel Kantonrechter

De kantonrechter draagt de stagiair vervolgens op om nader bewijs te leveren van zijn stelling dat hij op de bewuste ochtend werkzaamheden aan het uitvoeren was in het kader van de praktijkovereenkomst.
Nadat de stagiair hiervan bewijs heeft geleverd, wijst de kantonrechter de vordering van de stagiair toe op grond van artikel 7:658 lid 2 BW. Olympic Gym gaat vervolgens in hoger beroep. 

5.           Oordeel Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Het Hof is met de kantonrechter van oordeel dat de stagiair in zijn bewijsopdracht is geslaagd. Allereerst oordeelt het Hof aan de hand van getuigenverklaringen dat het ongeluk daadwerkelijk in de ochtend van 30 oktober 2009 heeft plaatsgevonden en dat stagiair zich die bewuste ochtend in de sportschool bevond. Voorts blijkt uit het medische dossier dat de stagiair zich de 30e oktober heeft gemeld in het ziekenhuis.

Vervolgens komt het Hof aan de belangrijke vraag toe of de stagiair op het moment van het ongeluk werkzaamheden verrichtte in het kader van de praktijkovereenkomst. Het antwoord op deze vraag is essentieel voor het al dan niet standhouden van het vonnis van de kantonrechter op grond van artikel 7:658 BW. Voor toepasselijkheid van dit artikel is immers vereist dat de stagiair “in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt”.

Was hier in dit geval sprake van? Allereerst leidt het Hof uit een mail d.d. 20 oktober 2009 van de manager van Olympic Gym af dat stagiair voor de bewuste ochtend stond ingeroosterd. Een tweetal getuigen hebben bovendien verklaard op deze dag ook met de stagiair te hebben gewerkt. Hoewel de stagiair met een ruilverzoek door een andere stagiair heeft ingestemd (van de ochtend naar de avond), is voor het Hof onvoldoende komen vast te staan dat de stagiair zijn ochtenddienst ook daadwerkelijk heeft geruild. Het feit dat stagiair stond ingeroosterd en dat een tweetal getuigen heeft verklaard met hem te hebben samengewerkt legt naar het oordeel van het Hof doorslaggevend gewicht in de schaal. Het feit dat stagiair mogelijk geen werkkleding zou hebben gedragen doet hier niet aan af. Voor het Hof staat immers vast dat het naar de douche begeleiden van een cliënt een werkgerelateerde bezigheid is, ongeacht of hierbij bedrijfskleding wordt gedragen.

Het Hof komt zodoende tot het oordeel dat de stagiair de bewuste ochtend aan het werk is geweest in zijn hoedanigheid als stagiair en dat hij derhalve schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden in de zin van artikel 7:658 BW. Overigens merkt het Hof (naar mijn mening enigszins opmerkelijk) op dat het hierbij niet uitmaakt of de stagiair uit eigen beweging de cliënt heeft geholpen, of dat hij dit gedaan heeft in opdracht van een instructeur. Het begrip  “in de uitoefening van zijn werkzaamheden” moet naar het oordeel van het Hof ruim worden uitgelegd.

Het beroep op de ‘tenzij-formule’ van artikel 7:658 lid 2 BW is vervolgens de laatste troef van Olympic Gym. Volgens artikel 7:658 lid 2 BW is immers de werkgever aansprakelijk voor schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever 1) aantoont dat hij de verplichte voorzorgsmaatregelen genomen heeft of 2) dat de schade te wijten is aan opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Nu van opzet of roekeloosheid bij de stagiair geen sprake was, kwam het Hof toe aan de vraag of Olympic Gym aan haar zorgplicht ingevolge artikel 7:568 lid 1 BW had voldaan:

     ”Weliswaar is met de zorgplicht van de werkgever niet beoogd een absolute waarborg te                scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van
     arbeidsongevallen, maar gelet op de ruime strekking van de zorgplicht kan niet snel
     worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg
     niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden
     geleden schade. Artikel 7:658 vergt immers een hoog veiligheidsniveau van de
     betrokken werkruimte, werktuigen en gereedschappen alsmede van de organisatie van
     de werkzaamheden en vereist dat de werkgever het op de omstandigheden van het
     geval toegesneden toezicht houdt op behoorlijke naleving van de door hem gegeven
     instructies”

Het Hof komt vervolgens tot het oordeel dat Olympic Gym niet aan haar zorgplicht jegens de werknemer heeft voldaan. Hoewel het algemeen bekend was dat de specifieke cliënt speciale hulp behoefde, heeft Olympic Gym niet aan haar stagiairs gecommuniceerd dat de begeleiding van de betreffende cliënt aan andere, meer ervaren werknemers overgelaten diende te worden. Derhalve heeft Olympic Gym niet voldaan aan haar zorgplicht en kan zij niet met succes een beroep doen op de tenzij-formule uit artikel 7:658 lid 2. Het Hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en Olympic Gym dient derhalve de door de stagiair geleden schade te vergoeden.

De gehele uitspraak leest u hier.

6.           Conclusie

Deze uitspraak maakt duidelijk dat het begrip “in de uitoefening zijn de werkzaamheden” als bedoeld in artikel 7:658 lid 2 BW, door het Hof ruim wordt uitgelegd. Het gevolg is dat vrij snel zal worden aangenomen dat een werknemer aan het werk is, ook wanneer de verrichtte werkzaamheden hem niet van hogerhand zijn opgedragen of wanneer de werknemer daarbij niet zijn werkkleding draagt. Van doorslaggevend belang is of hetgeen de werknemer doet, valt aan te merken als “werkgerelateerde bezigheid”.

Bovendien kent het Hof aan de zorgplicht uit artikel 7:658 lid 1 BW een ruime strekking toe. Het hoge veiligheidsniveau dat een werkgever dient te garanderen, zal derhalve dikwijls voorkomen dat de werkgever met een beroep op de tenzij-formule aan zijn aansprakelijkheid kan ontsnappen.

Mr. J. den Dikken

 

 


«Terug