De kwijtingsclausule in het surseanceakkoord

2014-11-12


1.      Surseance van betaling

Een rechtspersoon die in financiële problemen raakt kan bij de rechtbank surseance van betaling aanvragen. Indien een bedrijf bijvoorbeeld tijdelijk niet in staat is om haar schuldeisers te voldoen, dan biedt de surseance van betaling de mogelijkheid om uitstel van betaling te krijgen. Daarmee is de surseance van betaling eveneens een instrument om een naderend faillissement af te wenden.

Een definitieve surseance van betaling wordt, indien de schuldeisers zich hierover in een stemming positief hebben uitgelaten, uitgesproken door de rechtbank voor de duur van maximaal anderhalf jaar. Verlenging van deze termijn is mogelijk.

Nadat er surseance van betaling is verleend, behoeft de betreffende rechtspersoon zijn schulden tijdelijk niet te voldoen, zolang als de surseance duurt. Voorts kunnen ‘normale’ schuldeisers gedurende de surseance geen executiemaatregelen nemen om hun vordering voldaan te krijgen en kan het faillissement van het de betreffende rechtspersoon niet worden aangevraagd.

De surseance van betaling werkt niet ten aanzien van de schuldeisers die voorrang hebben, de zogenaamde preferenten. Zij kunnen tijdens de surseance wel voortgaan met de incasso van hun vorderingen. Om ook deze ‘bijzondere’ schuldeisers op afstand te houden, kan een afkoelingsperiode worden gelast. Tijdens deze afkoelingsperiode is het deze schuldeisers niet toegestaan om hun rechten uit te oefenen zonder toestemming van de rechter / rechter-commissaris.

2.      Het surseance akkoord

Indien gedurende de surseance van betaling geen nadere maatregelen worden genomen, dan zal het in problemen verkerende bedrijf na afloop van de surseance geen stap verder zijn gekomen. De vorderingen van de schuldeisers hangen dan nog steeds als een zwaard van Damocles boven het hoofd. Een surseance van betaling is dan ook met name bedoeld als herstructureringsinstrument: het is de bedoeling dat het bedrijf in kwestie na afloop van de surseance ‘met een schone lei’ en schuldenvrij weer verder kan.

Om zulks te bewerkstelligen zal het betreffende bedrijf haar schuldeisers een aanbod doen. Dit aanbod, ook wel het surseanceakkoord, komt er in de regel op neer dat de schuldeisers een bepaald percentage van hun vordering wordt aangeboden en dat daartegenover staat dat de schuldeisers het resterende deel van hun vordering laten vallen. Hoe hoog het aangeboden percentage is hangt onder meer af van de financiële staat van het bedrijf.

Een logische vraag die opkomt is: “Waarom zou je genoegen nemen met maar een klein percentage, als je recht hebt op een veel groter bedrag?” De reden hiervoor is dat de ‘normale’ schuldeisers – ook wel concurrente schuldeisers – vaak niet werkelijk een keuze hebben. Als de schuldeisers niet akkoord gaan met het aangeboden akkoord dan heeft dit dikwijls tot gevolg dat de rechtspersoon failliet gaat; in een faillissement is het nog maar de vraag of de schuldeisers überhaupt iets van hun vordering zullen terugzien.[1]

3.      Kwijtingsclausule in akkoord

Om de zo gewenste schone lei te verkrijgen, wordt in het (concept) surseance akkoord een kwijtingsclausule opgenomen. Deze clausule houdt in dat met de ondertekening van het akkoord door de schuldeiser deze verklaart verder niets meer van de rechtspersoon te vorderen te hebben:

“A verklaart na uitvoering van het onderhavige surseance akkoord niets meer te vorderen te hebben van Z en verleent haar terzake volledige en onherroepelijke finale kwijting.”

Het is echter goed voorstelbaar, zeker in situaties waarin twee bedrijven over en weer zaken doen met elkaar, dat er van beide kanten openstaande vorderingen zijn. Het is dan van belang dat er wederzijdse finale kwijting wordt overeengekomen. Gebeurt dit niet, zoals in het bovenstaande voorbeeld, dan kan dit tot de volgende volstrekt onredelijke en onwenselijke uitkomst leiden:

Voorbeeld:
- Bedrijf Z vraag surseance van betaling aan; de surseance wordt verleend;
- Schuldeiser A heeft een vordering van € 20.000,00 op bedrijf Z;
- Bedrijf Z heeft een vordering van € 5.000,00 op schuldeiser A;
- Middels aanbod van een surseance akkoord biedt bedrijf Z schuldeiser A een percentage      van 10% van zijn vordering;
- Schuldeiser A gaat akkoord met de aangeboden € 2.000,00 en verleent bedrijf Z voor het      overige van haar vordering (eenzijdige) finale kwijting;
- Na het akkoord wordt de surseance opgeheven en bedrijf Z kan schuldenvrij verder;
- De vordering van bedrijf Z op schuldeiser A bestaat nog steeds;

In de hiervoor omschreven situatie kan bedrijf Z nadat de surseance is geëindigd langs de normale weg het bedrag van € 5.000,00 vorderen van A: er is in het surseanceakkoord immers slechts kwijting verleend door A aan Z. De kwijting heeft geen betrekking gehad op de vordering van bedrijf Z op A. 

Stel dat bedrijf Z nu daadwerkelijk overgaat tot het vorderen van € 5.000,00 van A en dit bedrag wordt uiteindelijk betaald, dan heeft bedrijf Z voor de vordering van A – die oorspronkelijk € 20.000,00 bedroeg – slechts € 2.000,00 betaald, maar heeft zijzelf van Y het volle pond (namelijk € 5.000,00) gekregen voor haar vordering.

4.      Conclusie

Een dergelijke situatie, waarin een noodlijdende bedrijf financieel winst haalt uit een surseance van betaling, is uiteraard niet de bedoeling. Zo oordeelde ook de Hoge Raad in 1992. [2] 

Hoewel er in een surseance akkoord kwijting wordt verleend door een schuldeiser voor het restant van zijn vordering, blijft de restantvordering bestaan als een natuurlijke verbintenis.[3]Wordt de schuldeiser na de surseance geconfronteerd met een tegenvordering, dan verzet de redelijkheid en billijkheid zich ertegen dat de schuldeiser zijn restantvordering (die voortleeft als natuurlijke verbintenis) niet hier tegenin zou kunnen brengen.

Om dergelijke juridisch getouwtrek na afloop van een surseance te voorkomen, verdient het de voorkeur dat in het surseance akkoord een wederzijdse finale kwijting wordt overeengekomen. Op die manier staat vast dat de betrokken partijen niets meer van elkaar  te vorderen hebben. Dit voorkomt een hoop problemen: wees hier dus bedacht op!

Mr. J. den Dikken

 

 

 

 

 

 

 

 

 



[1] In faillissement gaan de preferente schuldeisers ook voor: nadat bijvoorbeeld de bank en de Belastingdienst hun vordering (deels) voldaan hebben gekregen, is er meestal geen geld meer over om de overige concurrente schuldeisers te voldoen.

[2]  Hoge Raad, 31 januari 1992, NJ 1992, 686

[3] Het probleem van een natuurlijke verbintenis is dat deze in beginsel niet rechtens afdwingbaar is (art. 6:3 BW)


«Terug