Wetsvoorstel civielrechtelijk bestuursverbod

2014-11-21


1.      Bestuurdersaansprakelijkheid

Rechtspersonen zoals bijvoorbeeld de naamloze vennootschap en de besloten vennootschap worden gerund door een bestuur. Dit bestuur, dat uit één of meerdere personen kan bestaan, is blijkens artikel 2:129 en artikel 2:239 BW belast met (hoe kan het ook anders) het besturen van respectievelijk de N.V. en de B.V.

Bij het besturen van de vennootschap heeft een bestuur een grote mate van beleidsvrijheid. Ondernemerschap gaat immers gepaard met het nemen van risico’s  en het zou onwenselijk zijn indien de bestuurder bij het uitoefenen van zijn bestuurstaak geremd wordt uit defensieve overwegingen. De bestuurder is derhalve tot op zekere hoogte vrij in de manier waarop hij de vennootschap leidt: de beperkte aansprakelijkheid van de rechtspersoon voorkomt dat hij persoonlijk kan worden aangesproken.

De beleidsvrijheid van de bestuurder is echter niet onbeperkt. Wanneer de bestuurder het te bont maakt kan hij persoonlijk aansprakelijk worden gesteld. Zo kan een bestuurder door de vennootschap zelf aansprakelijk worden gesteld voor zijn handelen (artikel 2:9 lid 2 BW), kunnen derden bestuurders aanspreken op grond van onrechtmatig handelen (artikel 6:162 BW) en kan in faillissement de bestuurder door de curator worden aangesproken (o.a. artikel 2:138 BW / 2:248 BW).

Voorbeelden hiervan zijn onder meer handelen in strijd met statutaire bepalingen van de vennootschap [1],  het namens de vennootschap aangaan van overeenkomsten met derden waarvan de bestuurder wist dan wel behoorde te weten dat de vennootschap niet aan zijn verplichtingen zou kunnen voldoen [2] en het niet, althans niet tijdig publiceren van jaarrekeningen [3].

Indien komt vast te staan dat het bestuur de vennootschap onbehoorlijk heeft bestuurd (ook wel wanbestuur genoemd) dan kan de bestuurder voor de daaruit voortvloeiende schade aansprakelijk worden gehouden.

2.      Bij herhaald wanbestuur of faillissementsfraude: bestuursverbod

Het komt echter regelmatig voor dat een bestuurder die zich in het verleden schuldig heeft gemaakt aan wanbestuur bij de failliete vennootschap X, vervolgens vennootschap Y opricht en zich daar als bestuurder wederom schuldig maakt aan wanbestuur met faillissement tot gevolg.

Een dergelijke gang van zaken kan in principe telkenmale worden herhaald, hetgeen vele gedupeerde schuldeisers tot gevolg heeft. Om dergelijke stelselmatige wanbestuurders een halt toe te roepen is zeer recent een wetsvoorstel ingediend. Met dit wetsvoorstel moet voorkomen worden dat frauduleuze bestuurders hun activiteiten via allerlei omwegen en met nieuwe rechtspersonen ongehinderd kunnen voortzetten.

Een civielrechtelijk verbod moet dit mogelijk maken. Het verbod geldt voor alle in artikel 3 boek 2 BW genoemde rechtspersonen: verenigingen, stichtingen, NV’s, BV’s, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen. Malafide gebleken bestuurders kunnen door het verbod niet langer als bestuurder of commissaris bij voornoemde rechtspersonen aan de slag en kunnen daarmee ook niet langer misbruik maken van de bescherming die de beperkte aansprakelijkheid van de rechtspersoon biedt. [4]

Om te voorkomen dat een bestuurder zich al te snel met een mogelijk bestuursverbod geconfronteerd zal zien, is in het wetsvoorstel een limitatieve lijst opgenomen van gronden waarop een verbod kan berusten. Ook indien er op zichzelf sprake is van een grond die een bestuursverbod zou rechtvaardigen, kan de rechter per geval toetsen of een bestuursverbod in het betreffende geval niet een te vergaande maatregel is.

Wanneer de rechter een bestuursverbod uitspreekt, dan kan de betreffende persoon vanaf dat moment bij geen enkele rechtspersoon als bestuurder aanblijven of worden aangesteld. Wordt diegene niettegenstaande het bestuursverbod toch door een rechtspersoon aangesteld als bestuurder, dan is dit besluit nietig. Het bestuursverbod geldt in beginsel voor 5 jaar.

3.      Wie kan een dergelijk verbod vorderen?

In het huidige wetsvoorstel zal het bestuursverbod een plaats krijgen in de faillissementswet.[5]In faillissement is het de curator die het beste inzicht heeft in de handel en wandel van de bestuurder binnen de vennootschap. De curator is dan ook de eerst aangewezen persoon om een bestuursverbod te vorderen.

De schuldeisers zelf zullen een dergelijke vordering niet kunnen instellen en dienen zich tot de curator te wenden. Weigert de curator vervolgens, dan kunnen de schuldeisers de rechter-commissaris verzoeken om de curator te gelasten een bestuursverbod te vorderen.

Daarnaast heeft ook het Openbaar Ministerie de bevoegdheid om over te gaan tot het vorderen van een bestuursverbod. Het Openbaar Ministerie zal vooral in beeld komen wanneer een bestuursverbod in het algemeen belang is, bijvoorbeeld wanneer het gaat om “seriële beroepsfraudeurs die met repeterende faillissementen een grote maatschappelijke schade veroorzaken”.

4.      Conclusie

Het voornemen om tot een civielrechtelijk bestuursverbod te komen heeft momenteel de status van voorstel van wet. Of en in hoeverre er nog wijzigingen in het voorstel zullen worden doorgevoerd is op kort termijn niet te voorspellen. Evenmin is duidelijk op welke termijn een civielrechtelijk bestuursverbod daadwerkelijk in de wet zal worden opgenomen.

Het huidige wetsvoorstel is mijns inziens in ieder geval een goede stap voorwaarts. Een bestuursverbod maakt mogelijk dat bestuurders die zich keer op keer misdragen worden uitgesloten van een functie als bestuurder of commissaris van een rechtspersoon. Daarmee wordt de betrouwbaarheid van rechtspersonen, en daarmee het vertrouwen in het handelsverkeer als geheel, alleen maar versterkt.

Mr. J. den Dikken


[1] Hoge Raad 29 november 2002, Berghuizer Papierfabriek NV, NJ 2003, 455

[2] Hoge Raad 6 oktober 1989, Beklamel, NJ 1990, 286

[3]  Hoge Raad 11 juni 1993, Sarper, NJ 1993, 713

[4]  Er is blijkens de Memorie van Toelichting bewust voor gekozen om ook een commissariaat onder het verbod te laten vallen: het zou immers vreemd zijn indien iemand met een bestuursverbod wel als commissaris toezicht zou mogen houden op het bestuur.

[5]  Artikelen 106a t/m 106e Faillissementswet


«Terug