Uitsluiting van pensioenverevening

2015-11-19


1. Uitsluiting pensioenverevening

De huidige hoofdregel is dat het ouderdomspensioen dat de man en vrouw gedurende het huwelijk hebben opgebouwd, ingeval van echtscheiding verdeeld dient te worden; de zogenaamde pensioenverevening.

2. Geschiedenis

         Vanaf 1959: Geen verevening

Dat is niet altijd zo vanzelfsprekend geweest. In 1959 [1] had de Hoge Raad bepaald dat pensioen zodanig aan een persoon is verknocht, dat dit niet voor verevening in aanmerking kwam. Derhalve behoefde het opgebouwde pensioen (veelal) bij echtscheiding niet te worden verevend. De consequentie was dat bij echtscheiding één van de echtgenoten, toen nog veelal de vrouw, voor wat het pensioen betrof, onverzorgd achterbleef.

         Vanaf 1981: Boon / Van Loon

De Hoge Raad heeft op 27 november 1981 aan deze situatie een eind gemaakt met haar Boon / Van Loon arrest. [2] In dit arrest heeft de Hoge Raad bepaald dat op het tijdstip van de ontbinding van de gemeenschap door echtscheiding, de opgebouwde pensioenrechten bij de verdeling van de gemeenschap door middel van verrekening in aanmerking genomen dienen te worden. Anders gezegd, wanneer partijen bij echtscheiding uit elkaar gaan, dient bij de verdeling van de gemeenschap ook de opgebouwde pensioenrechten te worden verevend.[3]

         Vanaf 1995: Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding

Tot 1 mei 1995 werd het principe uit het arrest Boon / Van Loon toegepast. Daarna trad een wettelijke regeling in werking, de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (WVPS). In tegenstelling tot het principe uit het Boon / Van Loon arrest wordt onder de WVPS ongeacht het huwelijksvermogensregime verevening van de pensioenen toegepast. Dit is slechts anders indien partijen in de huwelijkse voorwaarden (of op te maken echtscheidingsconvenant) de toepassing van de WVPS uitsluiten of anderszins andere afspraken hebben gemaakt.[4]

Indien partijen dus willen afwijken van WVPS dienen zij dit ofwel vooraf te regelen (middels huwelijkse voorwaarden) ofwel bij echtscheiding (middels een echtscheidingsconvenant of een ander bij geschrift gesloten overeenkomst).

Artikel 2 lid 1 WVPS bepaalt: "In geval van scheiding en voor zover de ene echtgenoot na de huwelijkssluiting en voor de scheiding pensioenaanspraken heeft opgebouwd, heeft de andere echtgenoot overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet recht op pensioenverevening, tenzij de echtgenoten de toepasselijkheid van deze wet hebben uitgesloten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding.” [5]

3. Uitsluiting pensioenverevening per e-mail?

Recent heeft de rechtbank Den Haag [6] zich uitgelaten over de vraag of uitsluiting van pensioenverevening ook overeengekomen kan worden in emailcorrespondentie.

De casus was als volgt. Man en vrouw zijn verwikkeld in een echtscheiding. De man heeft bijstand van een advocaat, de vrouw heeft bijstand van een scheidingsplanner. Man en vrouw proberen tijdens een bespreking op 11 juni 2012 de afwikkeling van de echtscheiding in onderling overleg te regelen. Tijdens deze bespreking is onder meer onderwerp van discussie de verevening van het pensioen.

Op 13 juni 2012 wordt door de scheidingsplanner namens de vrouw per email als volgt bericht:

‘Ouderdomspensioen
In het kader van de door de man opgebouwde pensioenaanspraken bij Mercer wil de vrouw afwijken van de standaardregeling volgens de wet Pensioenverevening bij scheiding door de verhouding 75%/25% af te spreken, waarbij de man dan 75% zal behouden.

Partijen sluiten bij deze de werking van de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding met betrekking tot de door de vrouw opgebouwde rechten op ouderdomspensioen bij Aegon uit. Er zal derhalve geen pensioenverevening plaatsvinden.

Partijen sluiten bij deze de werking van de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding met betrekking tot de door de man opgebouwde rechten bij Pensioenfonds ABP op ouderdomspensioen uit. Er zal derhalve geen pensioenverevening plaatsvinden.’

In reactie op deze mail laat de man op 23 juni 2012 middels zijn advocaat eveneens per mail weten:

‘Het door u aan de orde gestelde onderwerp inzake het ouderdomspensioen (…) is inderdaad conform het (…) besprokene, waar ook mijn cliënt zich achter stelt. Daarover bestaat derhalve consensus.’

Over het uitsluiten van pensioenverevening lijken partijen het derhalve eens. De echtscheidingsprocedure wordt vervolgens voortgezet en ruim anderhalf jaar later vindt er een mondelinge behandeling plaats. Tijdens deze mondelinge behandeling besluiten de man en de vrouw om ter beëindiging van hun geschil, ten aanzien van onder meer de alimentatie en afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap een (vaststellings)overeenkomst te sluiten. In deze overeenkomst is over (het uitsluiten van) de pensioenverevening echter niets bepaald.

De vrouw weigert vervolgens om medewerking te verlenen aan de vereiste registratie van de tussen partijen gesloten pensioenregeling. De man gaat hierop naar de rechtbank en stelt zich op het standpunt dat er op 23 juni 2012 ten aanzien van het pensioen per email een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. Hij vordert dat de vrouw medewerking verleent aan de vereiste registratie van de gemaakte afspraken bij de pensioenuitvoerder.

Nadat de rechtbank heeft overwogen dat in de vaststellingsovereenkomst niets over pensioenverevening is opgenomen, komt zij toe aan de vraag of er een geldige uitsluiting van pensioenverevening is overeengekomen:

"Weliswaar blijkt uit de onder 2.5. en 2.6. weergegeven e-mailwisseling dat partijen hebben gesproken over verrekening of verevening van de pensioenaanspraken, maar zelfs indien sprake is van aanbod en aanvaarding – hetgeen de rechtbank in het midden laat – is daarmee niet voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste van de artikelen 2 en 4 Wet VP. Immers, een door beide partijen ondertekende overeenkomst ontbreekt.

Evenmin kan geoordeeld worden dat uit het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 januari 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:618) kan worden afgeleid dat in onderhavig geval sprake is van een rechtsgeldige afwijking / uitsluiting van de toepasselijkheid van de Wet VP. Immers in genoemd arrest is, anders dan in dit geschil, wél sprake van een door beide partijen ondertekend geschrift. Het betrof weliswaar een ‘ontwerp’ akte verdeling maar die voldeed aan de wettelijk vastgestelde vormvoorschriften voor afwijking van de wettelijke regeling: partijen hadden namelijk iedere pagina voorzien van een paraaf en de laatste pagina van een handtekening."

De rechtbank concludeert derhalve dat de in de emailcorrespondentie vastgelegde overeenstemming niet heeft te gelden als een “bij geschrift gesloten overeenkomst” in de zin van artikel 2 WVPS. De vorderingen van de man worden derhalve afgewezen. 

4. Conclusie

Correspondentie per email is tegenwoordig veelal de standaard. Dikwijls wordt met een email ook voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste.[7] In deze casus oordeelde de rechter echter dat dit niet het geval was. Mogelijk gelet op de verstrekkende gevolgen van afwijking van de WVPS, achtte de rechter het in casu van belang dat deze afwijking zou worden overeengekomen in een schriftelijke overeenkomst die door beide partijen van een handtekening zou worden voorzien.

Indien partijen wensen af te wijken van de WVPS doen zij er dan ook goed aan om dit ofwel vooraf te regelen (middels huwelijksvoorwaarden) ofwel om hier bij scheiding afspraken over te maken in een schriftelijke overeenkomst die bovendien door beide partijen is ondertekend. In het kader van afwijking van de WVPS voldoet een email – blijkens het vonnis van de rechtbank Den Haag – in ieder geval niet.

Mr. J den Dikken

 


[1] Hoge Raad, 7 oktober 1959, BNB 1959, 355
[2] Hoge Raad, 27 november 1981, NJ 1982, 503
[3] Dit geldt alleen wanneer de pensioenrechten daadwerkelijk in de gemeenschap vallen; zijn partijen bij uitsluiting van gemeenschap van goederen getrouwd (bijv. zgn. ‘koude’ uitsluiting) vindt het Boon / Van Loon arrest geen toepassing.
[4] De memorie van toelichting omschrijf dit als volgt: “Dat wil zeggen dat pensioenverevening plaats– vindt ongeacht het tussen de echtelieden geldende huwelijksgoederenregime, tenzij de huwelijkspartners uitdrukkelijk een afwijkende regeling zijn overeengekomen”
[5] In de memorie van toelichting bij dit artikel is als volgt opgemerkt: “Het staat partijen in beginsel vrij zelf afspraken te maken over de tijdens de huwelijkse jaren opgebouwde pensioenen. Dit houdt dan een uitsluiting van de wettelijke regeling in.
[6] Rechtbank Den Haag, 16 september 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:11843
[7] Sterker nog, de huidige technologische ontwikkelingen maken dat tegenwoordig zelfs met een WhatsApp bericht kan worden voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste: zie in het kader van aanzegverplichting voor werkgevers: http://laus.nl/nl/artikelen/20 en Rechtbank Amsterdam, 10 juni 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:3968


«Terug