Aansprakelijkheid van de wegbeheerder

2016-10-31


1. Gestruikeld en bezeerd op gemeentegrond. Wat nu?!

Een vrouw loopt met haar zojuist gekochte spullen over de markt. Bij het passeren van één van de marktkramen blijft zij haken achter een op de grond liggende elektriciteitskabel. Het gevolg is een valpartij, waarbij de vrouw knieletsel oploopt. De elektriciteitskabels zijn eigendom van de marktkraamhouders, maar de kabels liggen op gemeentegrond en zijn bovendien verbonden met een elektriciteitskast van de gemeente. De vrouw stelt hierop de gemeente aansprakelijk voor de door haar geleden schade.

In een recente rechtszaak, die tot aan de Hoge Raad is uitgeprocedeerd, kwam de vraag aan de orde of de gemeente voor een dergelijk – ongelukkig – ongeval aansprakelijk kan worden gehouden. De vrouw die over de kabels was gestruikeld, had de gemeente aansprakelijk gesteld op grond van artikel 6:174 BW (aansprakelijkheid voor opstallen) en op grond van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad). Nadat haar vordering door zowel rechtbank als gerechtshof zijn afgewezen, stapt zij naar de hoogste rechter, de Hoge Raad. In het arrest van 7 oktober 2016 heeft de Hoge Raad uitsluitsel gegeven of de gemeente in deze zaak wel of niet aansprakelijk is.

2. Gemeente aansprakelijk op grond van artikel 6:174 BW?

Het eerste anker waar de vrouw – wat betreft grondslag voor aansprakelijkheid – voor is gaan liggen, betreft artikel 6:174 BW. Dit artikel gaat over de (risico-)aansprakelijkheid van de bezitter van een opstal. Indien de opstal – in deze zaak een weg – niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, er hierdoor gevaar ontstaat voor personen of zaken en dit gevaar zich ook daadwerkelijk verwezenlijkt, dan is de bezitter (in casu de gemeente) – behoudens uitzondering – aansprakelijk.

Het gerechtshof had in haar (door de vrouw bestreden) arrest overwogen dat een openbare weg weliswaar een opstal betreft in de zin van artikel 6:174 BW, maar dat dit voor de elektriciteitskabels en elektriciteitskast niet geldt. Het gerechtshof had daarbij overwogen dat de elektriciteitskabels, hoewel gelegen op de openbare weg, geen deel uitmaken van die opstal, nu de kabels niet vast zijn verbonden met de weg en ze ook niet dienen ten behoeve van enige functie van de weg. Met betrekking tot de door de gemeente geplaatste elektriciteitskast overwoog het gerechtshof dat deze weliswaar permanent aanwezig en vast verbonden is met de weg, maar dat deze geen onderdeel uitmaakt van de weg(uitrusting), omdat deze niet is geplaatst ten behoeve van de weg of van het verkeersgebruik.

Het gerechtshof was – kortom – van oordeel dat aan aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW niet werd toegekomen, reeds omwille van het feit dat de elektriciteitskabels en -kast geen onderdeel uitmaken van de opstal (de openbare weg). Bij de Hoge Raad komt de vrouw tegen deze beslissing van het gerechtshof op: zij is van oordeel dat het gerechtshof op grond van artikel 6:174 BW had moeten beoordelen of de openbare weg in casu gebrekkig was.

De Hoge Raad buigt zich over de klacht van de vrouw en overweegt in haar arrest dat op een wegbeheerder, op grond van artikel 6:174 BW de plicht rust ervoor te zorgen dat de toestand van de weg de veiligheid van personen en zaken niet in gevaar brengt. Voor de maatstaf van aansprakelijkheid van de wegbeheerder verwijst de Hoge Raad naar eerdere arresten op dit gebied [1] en daarnaast geeft zij aan dat bij beantwoording van de vraag of de weg voldoet aan de daar aan te stellen eisen, dient te worden getoetst aan de criteria zoals ontwikkeld in het standaardarrest van de Hoge Raad, het zogenaamde Kelderluikarrest.[2]

De Hoge Raad overweegt vervolgens echter dat de aansprakelijkheid van de wegbeheerder zich op grond van artikel 6:174 BW beperkt “tot gebreken die samenhangen met de verkeersfunctie van de openbare weg.” Met het gerechtshof is de Hoge Raad van oordeel dat de elektriciteitskabels en elektriciteitskast niet behoren tot de weg, zodat er in casu hoe dan ook geen sprake is van een gebrek als bedoeld in artikel 6:174 BW. Het gerechtshof heeft derhalve terecht aansprakelijkheid van de gemeente op grond van artikel 6:174 BW afgewezen, aldus de Hoge Raad. Wat vervolgens resteert is de vraag of de gemeente onrechtmatig handelen kan worden verweten; de tweede door de vrouw aangevoerde grond voor aansprakelijkheid.

3. Gemeente aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW?

De Hoge Raad overweegt dat de gemeente als wegbeheerder, uit hoofde van haar algemene zorgplicht ten aanzien van de veiligheid op de weg, onder omstandigheden toch voor dergelijke (niet tot de weg behorende) voorwerpen aansprakelijk kan worden gesteld. De gemeente dient dan het verwijt gemaakt te kunnen worden dat zij in de nakoming van deze algemene zorgplicht is tekortgeschoten. Ook voor deze maatstaf dient volgens de Hoge Raad te worden getoetst aan de eerder genoemde Kelderluikcriteria:

“Indien de wegbeheerder bekend is met de aanwezigheid van het voorwerp op de weg, zoals in deze zaak de Gemeente met de aanwezigheid van de elektriciteitskabels, zijn voor de beoordeling van zijn aansprakelijkheid voor schade die ontstaat door verwezenlijking van het gevaar dat van die aanwezigheid uitging, van belang in hoeverre niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid waarschijnlijk is, hoe groot de kans is dat daaruit ongevallen ontstaan, hoe ernstig de gevolgen kunnen zijn, en in hoeverre het nemen van veiligheidsmaatregelen bezwaarlijk is (de ‘kelderluikcriteria’). Daarbij kunnen ook de herkomst, aard en functie van een dergelijk voorwerp een rol spelen, alsmede de ligging, functie, fysieke toestand en het te verwachten gebruik van de weg.”

In casu was de Hoge Raad van oordeel dat het gerechtshof de bovenstaande criteria juist had toegepast en daarom terecht tot het oordeel was gekomen dat er door de gemeente niet onrechtmatig was gehandeld. Het gerechtshof had bij haar afweging onder meer overwogen dat de kans dat men struikelt over goed zichtbare kabels [3] in beginsel klein moet worden geacht; dat struikelen niet per definitie tot vallen leidt en daarnaast niet elke valpartij (ernstig) lichamelijk letsel oplevert. Bovendien was volgens het gerechtshof onvoldoende gebleken dat er in de betreffende situatie maatregelen getroffen hadden kunnen worden, terwijl overigens ook niet vaststond dat eventuele maatregelen de kans op een valpartij zouden hebben verkleind.[4]

4. Conclusie: gemeente niet altijd niet aansprakelijk

De gemeente kwam in deze kwestie met de schrik vrij en de vrouw ving na jaren procederen bot. Het is echter niet uit te sluiten dat aansprakelijkheid van een gemeente op één van de hierboven behandelde gronden in een andere situatie wel wordt aangenomen. Eén en ander zal afhangen van de specifieke omstandigheden van het geval. Hoe het ook zij, een goede tip is in ieder geval om goed op te letten wanneer je over de markt loopt…

Mr. J. den Dikken

 


[1] Hoge Raad, 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236, NJ 2012/155 (Wilnis)
Hoge Raad, 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:831, NJ 2014/368 (Reaal/Deventer)
[2] Hoge Raad, 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079, NJ 1966/136 (Kelderluik)
In dit arrest, waar het ging om een openstaand kelderluik, ontwikkelde de Hoge Raad in het kader van gevaarzetting en de daarbij in acht te nemen zorgplicht, een aantal criteria die tot op de dag van vandaag relevant zijn.
[3] Het ging om donkere stroomkabels op een licht wegdek
[4] De vrouw had aangevoerd dat er matten over de kabels gelegd hadden kunnen worden.


«Terug