Echtscheiding en nevenvoorzieningen

2016-11-09


1. Echtscheiding en nevenvoorzieningen

Indien een huwelijk onverhoopt stukloopt, kunnen partijen de bevoegde rechtbank verzoeken om de echtscheiding tussen hen beiden uit te spreken. Daarmee zijn partijen er echter vaak nog niet. Naast het verzoek aan de rechtbank om de echtscheiding uit te spreken, zullen er doorgaans nog een aantal zaken geregeld moeten worden: gedacht kan worden aan de zorg voor de kinderen, de vraag wie er in de echtelijke woning mag blijven wonen en of er door één van de partijen alimentatie verschuldigd is. Vaak wordt voor deze onderwerpen aan de rechtbank verzocht om zogenaamde nevenvoorzieningen – voorzieningen die verband houden met het verzoek tot echtscheiding – te treffen. De verzoeken daartoe worden doorgaans tegelijk met het verzoek tot echtscheiding aan de rechtbank verzocht, maar dit kan ook in de loop van de procedure en zelfs in hoger beroep.[1] Artikel 827 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevat de nevenvoorzieningen die de rechter kan vaststellen.

Het is niet zonder reden dat de betreffende voorzieningen ‘nevenvoorzieningen’ worden genoemd: het zijn voorzieningen die de rechter in verband met een verzoek tot echtscheiding kan treffen en in die zin zijn de nevenvoorzieningen nauw verbonden met een door partijen verzochte echtscheiding.

Gelet op deze samenhang is het de vraag of er nog over nevenvoorzieningen geprocedeerd kan worden, indien er (formeel) geen echtscheiding tot stand is gekomen en er ook geen procedure over de echtscheiding meer loopt. Voor deze vraag zag het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zich recent gesteld. De zaak was als volgt.

Tussen een man en een vrouw heeft een echtscheidingsprocedure plaatsgevonden bij de rechtbank. De rechtbank heeft op 26 november 2015 de echtscheiding uitgesproken en een aantal nevenvoorzieningen getroffen, onder meer betreffende het hoofdverblijf van de kinderen, de zorg- en omgang en de te betalen alimentatie. Eén en ander is door de rechtbank vastgelegd in een echtscheidingsbeschikking.

2. Echtscheiding pas geëffectueerd na inschrijving beschikking

Daarmee waren partijen echter nog niet van echt gescheiden. Om een door de rechtbank uitgesproken echtscheiding te formaliseren vereist de wet [2], dat de beschikking binnen 6 maanden na het verstrijken van de hoger beroepstermijn wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Indien de echtscheidingbeschikking niet of niet tijdig wordt ingeschreven, dan heeft dit gevolg dat deze geen rechtskracht (meer) heeft, zodat de uitgesproken echtscheiding juridisch geen gevolg krijgt. Partijen zijn in dat geval nog steeds gehuwd.[3] 

In de hierboven aangehaalde zaak waren zowel de vrouw als de man in hoger beroep gekomen tegen (uitsluitend) de door de rechtbank vastgestelde nevenvoorzieningen. Het hoger beroep was echter niet gericht tegen het uitspreken van de echtscheiding.

Partijen hadden in casu nagelaten om de echtscheidingsbeschikking tijdig in te schrijven in de registers van de burgerlijke stand. Het gerechtshof constateerde derhalve dat er nimmer formeel een echtscheiding tot stand was gekomen. Nu echter ook in hoger beroep de echtscheiding geen onderwerp van discussie meer was – tegen het uitspreken van de echtscheiding was door geen van partijen hoger beroep ingesteld – concludeerde het gerechtshof dat er geen rechtsgrond of belang (meer) bestond om te procederen over de nevenverzoeken:

“De zes maanden termijn van artikel 1:163 lid 3 BW is met inachtneming van het voorgaande op 29 augustus 2016 verstreken. Op dat moment heeft de echtscheidingsbeschikking haar kracht verloren. Nu de echtscheiding geen onderdeel is geworden van de strijd in hoger beroep, biedt wet noch jurisprudentie een ander aanknopingspunt voor de ingang van de voornoemde termijn van zes maanden.

Desgevraagd ter zitting van 28 september 2016 hebben partijen verklaard dat zij de echtscheidingsbeschikking van 26 november 2015 om hun moverende redenen nog niet hebben laten inschrijven in de registers van de burgerlijke stand. Gelet op het voorgaande is geen sprake (meer) van echtscheiding of een procedure daartoe, zodat de rechtsgrond voor en belang bij behandeling van de nevenvoorzieningen als verzocht ontbreken.”

3. Conclusie

De uitspraak van het gerechtshof maakt duidelijk dat voor het procederen over nevenvoorzieningen slechts plaats is op het moment dat sprake is van een (geformaliseerde) echtscheiding of een nog lopende procedure die de echtscheiding betreft. Indien geen van beide situaties zich voordoet, dan zal hoger beroep tegen getroffen nevenvoorzieningen niet slagen. Het gerechtshof heeft in hoger beroep dan ook zowel de verzoeken van de vrouw als de verzoeken van de man afgewezen.

Mr. J. den Dikken



[1] Tekst en Commentaar, Burgerlijke Rechtsvordering, artikel 827, aantekening 1
[2] Artikel 1:163 lid 3 jo. artikel 1:163 lid 1 BW
[3] Gerechtshof Den Haag, 15 mei 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:CA1000


«Terug