Beƫindiging/opzegging van het dienstverband en de arbeidsrechtelijke bedenktermijn

2016-11-11


1. Wanneer vangt de arbeidsrechtelijke bedenktermijn aan waarbinnen de beëindiging van een dienstverband kan worden teruggedraaid door een werknemer, die spijt heeft dat hij met de beëindiging van een dienstverband heeft ingestemd?

Met inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid kan een arbeidsovereenkomst op twee manieren middels een overeenkomst worden beëindigd: de beëindiging met wederzijds goedvinden en de opzegging met instemming. De beëindiging met wederzijds goedvinden is wettelijk verankerd in artikel 7:670b BW en de instemming met opzegging is neergelegd in artikel 7:671 BW. Voor de geldigheid van beide overeenkomsten is vereist dat deze schriftelijk worden aangegaan. In deze gevallen eindigt een dienstverband in onderling overleg en vindt er geen externe toetsing plaats. Dit is ook één van de redenen waarom een werknemer hierbij een wettelijk bedenkrecht heeft van twee respectievelijk drie weken. Binnen deze periode heeft de werknemer het recht om de overeenkomst zonder opgaaf van redenen, na de datum waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, door een schriftelijke, aan de werkgever gerichte, verklaring te ontbinden.[1] Deze termijn vangt aan na de datum waarop de overeenkomst tot stand is gekomen. 

In dit kader rijst de vraag wanneer een dergelijke overeenkomst tussen werknemer en werkgever precies tot stand komt. De parlementaire geschiedenis bij de WWZ zwijgt op dit punt. De vraag die in twee recente uitspraken van de rechtbank Rotterdam[2] en de rechtbank Den Haag[3] centraal stond, is of de overeenkomst tot stand komt op het moment waarop partijen overeenstemming hebben bereikt of pas op het moment van ondertekening van de overeenkomst. De Rotterdamse kantonrechter komt tot het oordeel dat de beëindigingovereenkomst pas tot stand komt na ondertekening hiervan door partijen, terwijl de kantonrechter van de rechtbank Den Haag (locatie Leiden) van mening is dat voor de totstandkoming van de overeenkomst, ondertekening geen vereiste is. Het moment van overeenstemming wordt geacht beslissend te zijn.

Beide uitspraken worden in het onderstaande besproken:

2. Kantonrechter Rotterdam: datum ondertekening overeenkomst

Op 10 februari 2016 heeft de rechtbank Rotterdam een beschikking gegeven waarbij het moment van de aanvang van de bedenktermijn voor het eerst onderwerp van gesprek was.

Wat was nu precies het geval? Aan de werknemer die sinds 1999 in dienst was bij Hertel en werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, werd na een dienstbetrekking van bijna 16 jaar een concept beëindigingsovereenkomst toegezonden. Na wat wijzigingen over en weer is de gemachtigde van de werknemer namens de werknemer op 21 september 2015 akkoord gegaan met de beëindigingsovereenkomst. Na verwerking van de wijzigingen heeft de werknemer op 22 september 2015 een definitieve versie van de ongedateerde vaststellingsovereenkomst per post ontvangen en vervolgens ondertekend en gedateerd op 28 september 2015. Bij brief van 9 oktober 2015 doet de werknemer beroep op de bedenktermijn, waarbij eerstbedoelde zich op het standpunt stelt dat de vaststellingsovereenkomst bindend is, omdat de termijn reeds verstreken is. Volgens de werkgever is de overeenkomst namelijk op 21 september 2015 tot stand gekomen en heeft de werknemer het bedenkrecht aldus te laat ingeroepen.

De rechtbank oordeelt uiteindelijk dat uit de tekst van de bepaling in de overeenkomst niet direct voortvloeit wanneer de termijn precies is ingegaan. Uit de wetsgeschiedenis blijkt echter dat voor de tekst van de wetsartikelen van de bedenktermijn[4] is aangesloten bij het concurrentiebeding, zoals neergelegd in artikel 7:653 lid 1 BW.[5] In dit verband haalt de kantonrechter een uitspraak aan van de Hoge Raad d.d. 28 maart 2008 (JIN 2008/288) waarin is geoordeeld - zij het onder het oude recht, maar het artikel is ten aanzien van het schriftelijkheidsvereiste ongewijzigd gebleven - dat aan het schriftelijkheidsvereiste in ieder geval is voldaan indien sprake is van ondertekening door de werknemer. ‘Dit een en ander en daarbij in aanmerking genomen dat de rechtszekerheid meebrengt dat zowel werknemer als werkgever is gebaat bij een duidelijk aantoonbaar en concreet moment waarop de bedenktermijn aanvangt, komt de kantonrechter voorshands tot het oordeel dat de ondertekening van [eiser] op 28 september 2015 als beslissend moet worden aangemerkt. De conclusie is dan ook dat hij met de brief van 9 oktober 2015 tijdig gebruik heeft gemaakt van zijn recht om de ontbinding van de beëindigingsovereenkomst in te roepen.’(r.o. 5.4).

3. Kantonrechter Leiden: datum bereikte (schriftelijke) overeenstemming 

Met betrekking tot de aanvang van de bedenktermijn komt de kantonrechter van de rechtbank Den Haag tot een ander oordeel. Hier deed zich de situatie voor dat de werknemer meerdere malen een concept overeenkomst was toegezonden en op 29 januari 2016 gaat de werknemer (per mail) akkoord en stelt uitdrukkelijk ervan uit te gaan dat partijen hiermede overeenstemming hebben bereikt. De gemachtigde van de werknemer stelt vervolgens dat partijen de aangepaste en goedgekeurde overeenkomst kunnen ondertekenen met de datum van heden, nu partijen alsdan overeenstemming hebben bereikt. Op 5 en 15 februari 2016 zijn aan de werknemer conceptovereenkomsten toegezonden, maar ondertekening is achterwege gebleven. Op 16 februari 2015 beroept de werknemer zich op de bedenktermijn.

Ook hier staat voor de berekening van de aanvang van de bedenktermijn de vraag centraal wanneer de beëindigingsovereenkomst nu precies tot stand is gekomen.

In de beoordeling neemt de rechtbank Den Haag het volgende in overweging:

a. ‘Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat vanwege het grote belang van een werknemer bij behoud van een arbeidsrelatie ervoor is gekozen om werknemers die schriftelijk instemmen met een opzegging of die een beëindigingsovereenkomst ondertekenen een bedenktermijn van veertien dagen te gunnen om hierop terug te komen. Voor de tekst van artikel 7:670b lid 1 BW is aansluiting gezocht bij artikel 7:653 lid 1 BW (het schriftelijkheidsvereiste bij een concurrentiebeding).

b. Het doel van de bedenktermijn is, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis, om enerzijds te voorkomen dat de werknemer onder druk van de werkgever instemt, terwijl hij onvoldoende heeft kunnen overzien welke gevolgen de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor hem heeft en anderzijds het bieden van de mogelijkheid voor de werknemer om juridisch advies in te winnen.

c. De rechtszekerheid brengt mee dat partijen gebaat zijn bij een duidelijk aantoonbaar en concreet moment waarop de bedenktermijn van veertien dagen aanvangt’ (r.o. 5.5).

Anders dan de rechtbank Rotterdam is de rechtbank Den Haag locatie Leiden van oordeel dat het schriftelijkheidsvereiste niet zover gaat dat de bedenktermijn pas gaat lopen na daadwerkelijke ondertekening van de overeenkomst. ‘Een zo vergaande afwijking van het reguliere contractenrecht en het systeem van aanbod en aanvaarding zou, zo de wetgever dat heeft bedoeld, in de wet of in ieder geval in de wetsgeschiedenis zijn genoemd.’ Aan het schriftelijkheidsvereiste ligt ten grondslag ‘dat in het vereiste van geschrift een bijzondere waarborg is gelegen dat de werknemer de consequenties van dit voor hem bezwarende beding goed heeft overwogen’ (r.o. 5.6).

De kantonrechter is van mening dat partijen (beiden bijgestaan door deskundigen) lang hebben onderhandeld met als resultaat een conceptovereenkomst, waarover voldoende is onderhandeld en diverse mailberichten zijn uitgewisseld. Deze onderhandelingen hebben geresulteerd in een e-mail van de gemachtigde van de werknemer dat partijen overeenstemming hebben bereikt op 29 januari 2016. De rechtbank is van oordeel dat hieruit overduidelijk blijkt dat de werknemer de consequenties van de beëindiging van de arbeidsrelatie voldoende heeft overwogen en kunnen overwegen en aan het doel van de termijn dus is voldaan. ‘Veel duidelijker en concreter dan de e-mail van de gemachtigde van de werknemer kan overeenstemming niet worden geformuleerd. Over de essentialia van de beëindiging van de arbeidsrelatie, met oog waarop de termijn van herroeping aan de werknemer is gegeven, bestond tussen partijen derhalve overeenstemming, inclusief de bepaling over het bedenkrecht van de werknemer’, aldus de kantonrechter. Het feit dat het aangepaste concept uiteindelijk niet ondertekend is, doet daaraan niet af.

4. Conclusie

Uit de uitspraak van de rechtbank Rotterdam blijkt dat de overeenkomst tot stand komt op het moment van ondertekening. In een vergelijkbare zaak komt de kantonrechter van de Rechtbank Den Haag (locatie Leiden) echter tot een geheel andere (minder stringente) conclusie en sluit aan bij het Nederlandse contractenrecht inhoudende dat een overeenkomst tot stand komt door aanbod en (in dit geval schriftelijke) aanvaarding. Of er daadwerkelijk een overeenkomst tot stand komt is (zoals gebruikelijk in het Nederlandse recht) afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Er wordt gekeken naar wat zich precies heeft voorgedaan waarbij gedacht kan worden aan eventuele vergevorderde onderhandelingen en mogelijke correspondentie, de vraag of aan het doel van de bedenktermijn is voldaan (de werknemer heeft een weloverwogen beslissing kunnen nemen, eventueel met inschakeling van deskundige bijstand), en/of er een duidelijk aantoonbaar en concreet moment is waarop de termijn aangevangen zou kunnen zijn.

Ook al is het moment van bereikte overeenstemming minder concreet dan het moment van ondertekening van de overeenkomst, dit oordeel sluit wel (beter) aan bij het Nederlandse contractenrecht. Hoe de maatstaf zich uiteindelijk verder ontwikkeld en of deze in stand blijft is vooralsnog gissen.

In de tussentijd kan een ongewenste onzekere situatie voorkomen worden door in de overeenkomst een bepaling op te nemen waarin expliciet wordt vermeld wanneer partijen overeenstemming hebben bereikt en wanneer de bedenktermijn (dus) aanvangt. Tevens is van belang dat de overeenkomst zo snel mogelijk na totstandkoming ervan ondertekend wordt. 

B. Röpcke



[1] Voor de geldigheid van de verklaring geldt dat deze de werkgever binnen de termijn moet hebben bereikt (ontvangsttheorie).
[2] Rechtbank Rotterdam 10 februari 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:996.
[3] Rechtbank Den Haag 21 juli 2016 locatie Leiden ECLI:NL:RBDHA:2016:8371.
[4] Artikel 7:670b lid 2 jo. 7:671 lid 2 BW.
[5] Kamerstukken II 2013/14, 33818,  9,  p. 17-18.


«Terug