Juistheid van de belastingaanslag: wie draagt de bewijslast?

2017-04-24


1. Het is weer zover: tijd voor de belastingaangifte

Het kan je momenteel moeilijk ontgaan. Zowel op televisie, internet, radio als in kranten word je er voortdurend op attent gemaakt: het is weer tijd om belastingaangifte te doen.

Toch is niet voor iedereen helder of hij of zij aangifte moet doen. Sommige mensen krijgen ruim voor de deadline – vóór 1 mei a.s. – van de Belastingdienst te horen dat er niets in hun situatie is gewijzigd en dat zij derhalve waarschijnlijk geen aangifte hoeven te doen. Een hoop mensen krijgt helemaal niets van de Belastingdienst te horen en dienen zelf na te gaan of zij aangifte moeten doen. Ten slotte wordt ook een groot aantal mensen door de Belastingdienst ‘uitgenodigd’ om aangifte te doen: zij krijgen expliciet bericht dat zij aangifte moeten doen.

2. Gevolgen van het niet doen van vereiste aangifte

De aangifte dient volgens de wet binnen een door de inspecteur van de Belastingdienst gestelde termijn te worden ingediend.[1] Deze termijn dient ten minste 1 maand te bedragen nadat de belastingplichtige tot het doen van aangifte is uitgenodigd. De deadline ligt dit jaar op 30 april 2017. De inspecteur kan de door hem gestelde termijn verlengen [2], bijvoorbeeld wanneer een belastingplichtige om uitstel verzoekt.

Veel mensen zien op tegen het doen van aangifte, en doen dit  pas op het laatste moment. De grootste drukte bij de Belastingdienst is dan ook kort voor de deadline, wanneer de meeste aangiften worden gedaan. Er zijn daarentegen ook veel mensen die niet op tijd aangifte doen, of het tijdig doen van aangifte simpelweg vergeten.

Wanneer de termijn voor het doen van aangifte is verstreken en er nog geen aangifte is gedaan, dan kan de inspecteur de belastingplichtige aanmanen om alsnog aangifte te doen: daarbij krijgt de belastingplichtige een laatste kans om binnen een nadere termijn de aangifte alsnog in te dienen.[3]

Indien de belastingplichtige ook na de aanmaning nalaat om aangifte te doen, dan kan de inspecteur besluiten om de belastingaanslag – die normaliter gebaseerd wordt op de door de belastingplichtige in te dienen aangifte – ambtshalve vast te stellen.[4]

Tegen een vastgestelde aanslag kan door de belastingplichtige bezwaar worden bij de Belastingdienst ingediend.[5] Mocht dit bezwaar worden afgewezen, dan kan de belastingplichtige in beroep bij de rechtbank.[6]

3. Wie moet aantonen dat aanslag niet juist is?

Wanneer een belastingplichtige geen aangifte heeft gedaan en - na bezwaar - in beroep wil gaan tegen de vastgestelde aanslag, ontstaat een mogelijk bewijsprobleem. De Algemene wet inzake Rijksbelastingen bepaalt in artikel 27e dat wanneer de vereiste aangifte niet is gedaan, de rechtbank een beroep van de belastingplichtige ongegrond verklaart, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is geweest. De 'sanctie' op het niet doen van aangifte is dus dat een eventueel beroep tegen een vastgestelde belastingaanslag door de rechtbank zal worden afgewezen, tenzij is gebleken dat de beslissing op bezwaar (en daarmee de aanslag zelf) onjuist is geweest.

Hierbij geldt een omkering van de bewijslast: het is in dat geval niet aan de inspecteur om aan te tonen dat de door hem vastgestelde aanslag juist is geweest, maar het is aan de belastingplichtige (die geen aangifte heeft gedaan) om te bewijzen dat de aanslag niet correct is en dat de Belastingdienst het bezwaar derhalve niet had mogen afwijzen. Daarmee komt de belastingplichtige in een moeilijke bewijspositie te verkeren: meestal beschikt de Belastingdienst – ook wanneer geen aangifte is gedaan – over voldoende informatie om tot een correcte aanslag te komen.

4. Wanneer is er sprake van dat de vereiste aangifte niet is gedaan?

De hiervoor toegelichte omkering van de bewijslast speelt pas op het moment dat is komen vast te staan dat de vereiste aangifte niet is gedaan, zie artikel 27e Algemene wet inzake Rijksbelastingen. De hoogste Nederlandse rechter – de Hoge Raad – heeft zich recent moeten uitlaten over de vraag wanneer er sprake van is dat de vereiste aangifte niet is gedaan.

De zaak die speelde was de volgende. Een belastingplichtige vraagt aan de Belastingdienst uitstel voor het doen van aangifte over 2011. Dit uitstel wordt verkregen, maar ook binnen de verlengde termijn wordt geen aangifte gedaan. De inspecteur verzendt vervolgens een herinnering en aanmaning aan de belastingplichtige, maar deze wordt verkeerd geadresseerd en bereikt daardoor de belastingplichtige niet. Het doen van aangifte blijft vervolgens achterwege.

Hierop gaat de inspecteur over tot het ambtshalve vaststellen van de aanslag. De belastingplichtige is het met deze aanslag niet eens en gaat in bezwaar, zonder succes. Vervolgens gaat belastingplichtige in beroep bij de rechtbank. De rechtbank oordeelt dat de belastingplichtige niet kan worden verweten dat hij niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn aangifte heeft gedaan, omdat de aanmaning hem niet had bereikt.[7] De rechtbank beslist daarom dat de door de inspecteur toegepaste omkering van bewijslast niet aan de orde is. Het door de belastingplichtige ingestelde beroep wordt gegrond verklaard.

Het gerechtshof [8] is het in hoger beroep niet eens met het oordeel van de rechtbank. Het gerechtshof overweegt dat belastingplichtige door de inspecteur is uitgenodigd om aangifte te doen, maar dat hij dit niet binnen de gestelde termijn heeft gedaan. Volgens het gerechtshof staat daarmee vast dat de vereiste aangifte niet is gedaan en het beroep conform artikel 27e Algemene wet inzake Rijksbelastingen ongegrond moet worden verklaard, tenzij door de belastingplichtige kan worden aangetoond dat de beslissing op bezwaar onjuist is geweest. Het gerechtshof past aldus wel omkering van de bewijslast toe.

Uiteindelijk belandt de zaak bij de Hoge Raad.[9] De Hoge Raad is van oordeel dat voor de vraag of de vereiste aangifte is voldaan, wel van belang is of de aanmaning door de belastingplichtige is ontvangen. In haar arrest van 14 april 2017 oordeelt de Hoge Raad dat pas sprake is van het niet doen van de vereiste aangifte, wanneer de bij de uitnodiging gestelde termijn ongebruikt is verstreken en indien er geen gebruik is gemaakt van de bij de aanmaning gestelde termijn:

“Het niet doen van de vereiste aangifte leidt op grond van artikel 27e, lid 1, AWR tot omkering en verzwaring van de bewijslast. De vereiste aangifte is onder meer niet gedaan als de belastingplichtige die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, de daarbij gestelde termijn ongebruikt heeft laten verstrijken en tevens geen gebruik heeft gemaakt van de hem op de voet van artikel 9, lid 3, van de AWR geboden gelegenheid om aangifte te doen binnen een door de inspecteur bij aanmaning gestelde termijn. Het Hof heeft dit miskend.” 

5. Conclusie

Uit het arrest van de Hoge Raad blijkt dat voor de omkering van de bewijslast (in de zin van artikel 27e Algemene wet inzake Rijksbelastingen) niet alleen een uitnodiging voor het doen van aangifte moet zijn ontvangen, maar tevens een aanmaning tot het doen van aangifte. Nu in deze specifieke casus de aanmaning niet door de belastingplichtige was ontvangen, kon niet worden geoordeeld dat de vereiste aangifte niet was gedaan, aldus de Hoge Raad.

Hoewel de uitspraak van de Hoge Raad duidelijkheid schept, is het van belang om in het achterhoofd te houden dat deze uitspraak is gewezen naar aanleiding van een individuele casus, met zijn eigen specifieke omstandigheden en kenmerken. Omdat elke zaak op zichzelf staat, is niet op voorhand zeker dat de uitspraak van de Hoge Raad ook van toepassing is op uw situatie. Ga dus altijd precies na welke omstandigheden in uw specifieke situatie spelen en wat in uw zaak geldt. Raadpleeg daarbij altijd een deskundige, die uw situatie kent of kan beoordelen.

 

Mr. J. den Dikken


[1] Artikel 9 lid 1 Algemene wet inzake Rijksbelastingen
[2] Artikel 9 lid 2 Algemene wet inzake Rijksbelastingen
[3] Artikel 9 lid 3 Algemene wet inzake Rijksbelastingen
[4] Artikel 11 Algemene wet inzake Rijksbelastingen
[5] Artikel 24a Algemene wet inzake Rijksbelastingen e.v.
[6] Artikel 26 Algemene wet inzake Rijksbelastingen e.v.
[7] Rechtbank Zeeland – West-Brabant, 26 mei 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:3615
[8] Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 29 september 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:4370
[9] Hoge Raad, 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:675


«Terug